Kantoortuin

26 mrt

Mijn benen en rug doen zeer van het tuinieren, maar gelukkig ben ik niet verkouden. Gisteren nieste ik wel na het plukken van onkruid. Hooikoorts? Ik denk het wel. Toch vroeg ik me even af welke rol planten spelen in het verspreiden van het coronavirus. Alles wordt beheerst door corona, ook mijn leven. Niets is meer hetzelfde.

Door corona is ‘alles’ in mijn leven bijna gereduceerd tot ‘niets’. Alle cursussen, workshops en culturele activiteiten zijn afgelast, en nu zelfs tot het einde van dit culturele seizoen. Er vallen gaten in mijn inkomen en in mijn agenda, terwijl mijn huis verworden is tot een kantoor voor thuiswerkende mannen. Ik ben kantine- en de boodschappenmedewerker, en als de verveling toeslaat activiteitenbegeleider. Zelfs Scrabble is weer uit de kast gekomen! Er wordt iets vaker gestofzuigd, afgewassen en gestreken. En dan is er de tuin!

Wat is dat heerlijk! Het is een ontdekkingsreis langs vergeten plantjes, en al wiedend komen oude paadjes weer tevoorschijn. En dan de rust! Er fietsen geen ouders met kinderen voorbij, nu de buren niet meer op hun kleinkinderen passen is het autoverkeer gereduceerd tot bijna nul, het park aan de overkant is uitgestorven. Zodra het lekker opgewarmd is, leef ik gewoon buiten.

Tijdens één van de hoognodige pauzes – ja, want die rug en die benen – zit ik met een kopje koffie en bel ik met een vriendin. Ononderbroken een half uur lang. Buiten.

Een half uur bellen is helemaal niet uitzonderlijk. Buiten wel. Met mijn blik op de strakblauwe lucht realiseer ik me dat het witte ruitjespatroon ontbreekt, dat ik al dagen geen vliegtuig heb gehoord en dat ik behalve tuinieren ook wel gefocust en ongestoord een stukje tekst kan typen in de tuin.

Wel een kort stukje dan, want die opwarming van de aarde lijkt ook wel even uitgesteld. Brrrr. Mijn handen bevriezen. Ik ga weer tuinieren!

Afbeelding

Het is goed

10 mrt

Kerstdromen

26 dec

Volgend jaar kerst in eSwatini! Niet omdat kerst daar nou zo bijzonder is en ook niet omdat kerst hier niet leuk is. Ik geniet van deze dagen. Kerst is van kalkoen, knalgroene nagellak, Kolonisten van Catan, kaartspelen, kerstfilms en onze kinderen.

Alle bedden in ons huis waren bezet, de stoelen werden van boven gehaald, de schalen met eten gingen van hand tot hand aan de lange tafel, de borden werden gevuld, en toen zei ik het: ‘Volgend jaar vieren we kerst in eSwatini.’

              ‘Komen jullie ook?’ zei mijn lief. Iedereen kauwde door, alsof we niets gezegd hadden. De kinderen waren druk met zichzelf, blij elkaar te zien. Daar genoot ik van, maar voelde me ook wat overbodig.

              Tjeerd was de enige die reageerde. ‘Hebben ze er wel kerstbomen?’ Lief en ik vertelden hem over kerst in zuidelijk Afrika, en na twee zinnen alleen aan elkaar. Ik prikte nog een stukje kalkoen van het skelet en luisterde verder alleen maar.

              ‘Daar moeten we straks heen, daar is de fissa,’ schreeuwt Sytze en wijst naar de stad verderop. Het getrommel is duidelijk te horen. Wiebe en Tjeerd dansen naast hem en maken wilde handgebaren. Evert tilt de koeltas uit de jeep, Lora en Maria gooien het tafellaken over de picknicktafel, lief en ik genieten van het uitzicht; bergen, overal bergen. En vooral: thuis. Lora en Tjeerd wandelen hand in hand de natuur in. Ik zie hoe ze met haar andere hand over de oranje papagaaienbloemen strijkt. Hij geeft haar een kus op de wang. Ik stel me voor hoe ze hier paardrijden, hoe ze zich hier thuis kunnen voelen. Lief heeft inmiddels het vuur aan, en Evert hangt de maiskolven er in. Maria schenkt drankjes, Wiebe en Sytze schieten een balletje over op de maat van de steeds harder wordende muziek. Lief spant een doek tussen de kale bomen voor de hoognodige schaduw. Het is 35 graden, en gelukkig droog.

Terwijl we eten komt de stofwolk steeds dichterbij en wordt het getrommel oorverdovend. Mannen met ontblote bovenlijven gooien hun benen omhoog en nodigen ons uit mee te dansen. Lora en Evert blijven verlegen zitten. Maria laat haar Afrikaanse roots uit de kast komen en swingt het hardste mee. Ik kan niet achterblijven, ik heb die roots niet maar wel Afrikaanse billen. Wiebe heeft een trommel in handen geduwd gekregen en verandert het ritme. Sytze, Tjeerd en lief klappen in hun handen.

In het stof verschijnt een rode gloed, een silhouet wordt zichtbaar en een reus stapt naar voren. ‘HOHOHOHO!’ roept hij. Voor hem schiet een kudde impala’s met belletjes aan hun staarten over de weg. De reus gooit een rode zak op de picknicktafel en loopt dansend de weg weer op. De massa dansende mannen volgt hem. Wij kijken ze na en zien ze verdwijnen in de stofwolk. Wiebe kijkt naar de trommel in zijn handen, naar ons en naar de stofwolk in de verte. Even lijkt het alsof hij iets wil zeggen, maar hij haalt alleen verontschuldigend zijn schouders op en zet het op een lopen. De stoet achterna.

              ‘Nou, komen julllie? De mais is wel klaar,’ moppert Evert ongeduldig. Of hongerig. Als we aan tafel zitten en maiskolven knagen, vragen we ons af wat er in de rode zak zit.

              ‘Cadeautjes, natuurlijk,’ zegt Lora met een hoge stem.

              ‘Dit was toch zeker Sinterklaas niet,’ grapt lief en pakt de zak. Hij trekt de strik los en een stroom koude lucht stijgt op vanuit de zak. Ineens valt er een schaduw over onze tafel. We kijken naar boven. Een wolk. Sneeuwvlokken. Hele grote.

              ‘Net als vroeger in Groningen,’ roept een oudere dame, die op een slee langs glijdt. Evert, Maria en Lora rollen ballen tot sneeuwmannen. Sytze, Tjeerd en lief starten een sneeuwballengevecht. Eén landt midden in mijn gezicht. Ik scheld, veeg de koude restanten van mijn wangen, en realiseer me dat ik hier niet op gekleed ben.

Ik rol me steviger in mijn dekbed, en voel nog een sneeuwbal. Tegen mijn schouder dit keer. Hier heb ik zo’n hekel aan, en ik draai me woest om. ‘Nu ophouden!’

Lief kijkt verschrikt op. ‘Wat is er?’ zegt hij en strijkt over mijn haar. ‘We kunnen lekker uitslapen.’ Hij sluit zijn ogen en slaapt weer verder. Ik ben klaarwakker en weet één ding zeker: we keken te veel kerstfilms. Ik ben klaarwakker en ben onzeker over waar we volgend jaar kerst vieren.

Kristallnacht

10 nov

Meer dan glas

De angst tussen haar tanden

knarst harder dan het glas

onder haar voeten

In de koude hand van moeder

balt zij haar drijvende knuist

De kinderen waar ze gisteren mee speelde:

vandaag vreemden

En op straat klinkt een lied dat

zij niet mee kan zingen,

niet kan overstemmen

Geluidsgolven breken tegen haar borst

Hartslag ontregelt. De wereld. Chaos,

waarin het ritme van de marcheerders

met onverwachte precisie

het kind tussen de ogen raakt

met scherpe messen

Waar licht aan het plafond hing,

gaapt nu een gat naar boven:

grauwe sterrenhemel,

zonder slaap, zonder dromen

Matrassen met ruggen tegen de muur

Gesloten ogen. Het kind ruikt rook

Vuur

Overal vuur

Het smeult na waar wetteloze wolven

hun vette vingers drukten op Thora-rollen

Herschreven boeken slaan

de grond weg onder haar voeten

Het kind is offer, lam voor de slacht

Melk wordt met haar bloed opgedronken

Druiven worden gebroken voor zure wijn

Onder de stampende laarzen

breekt meer dan glas

Op het perron staat een moeder

met lege handen

De trein rijdt

Het kind zwaait en vangt scherven

©ellis van atten

Jasmijn

31 okt

Mijmeren aan de Middellandse Zee….

Brandende handen in de winter

14 okt

Hoera voor de boerka!

1 aug
Gerelateerde afbeelding

Hoera voor de boerka! Laten we die allemaal eens aantrekken, en dan niet met een gazen doek voor de ogen. Gewoon, helemaal dicht zodat we eens naar onszelf kunnen kijken.

Eerlijk is eerlijk. Een boerka, en ook een nikab, lijkt mij persoonlijk helemaal niks. Ik houd van de frisse lucht die langs mijn huid strijkt. Zodra de temperaturen hoger worden, leg ik nog meer huid bloot. Heerlijk. Mijn verbazing over de huidbedekking is de reden waarom ik mensen in een nikab of een boerka – als ik ze al tegenkom – nakijk. In onze wijk zie ik slechts een enkele keer iemand in een boerka. In de krant is geen vermelding van duidelijke cijfers over hoeveel vrouwen nikabs of boerka’s dragen, maar maximaal een paar honderd op zo’n 16 miljoen inwoners lijkt mij heel weinig. Tijdens een reis van Zuidelijk Afrika naar Nederland, die ik onlangs maakte, kwam ik wel een aantal vrouwen in nikab tegen op de vliegvelden. Ze leken zich vrij te bewegen, praatten druk met medereizigers en douanebeambten, hielden hun eigen paspoorten in de hand en speelden met hun kinderen. Nu vind ik het jammer als ik mensen niet in de ogen kan kijken en geen gezichtsuitdrukking kan zien, maar in de bewegingen van deze vrouwen herkende ik mezelf. Bovendien zijn er wel meer dingen die we niet zien, waarvan we wel weten dat ze er zijn.

Sterren bijvoorbeeld. In ons land is het zo licht, dat we hier minder sterren zien dan in minder dichtbevolkte gebieden. In de krant lees ik dat vanuit de ruimte Europa, en daarbinnen weer Nederland, opvalt als een helverlichte vlek. Aanleiding voor het artikel is het besluit om een aantal snelwegen opnieuw ’s nachts te verlichten. In het artikel voor- en tegengeluiden, maar feit is dat onze zichtbaarheid ons eigen zicht beperkt.

We wanen ons veilig onder onze boerka van licht en vertrouwen niet meer op de sterren, die van oudsher de weg wijzen. We vertrouwen niet meer op de natuur, niet op mensen. En hebben we vertrouwen in onszelf?

Laten we een boerka aantrekken. Zonder kijkgaas en zo donker mogelijk. Dan zien we vast helderder en kunnen we ons druk maken om belangrijke dingen. De lichtvervuiling bijvoorbeeld.

%d bloggers liken dit: