Archief | ZORG RSS feed for this section

Ik vind er niks meer aan

22 jan

Over voltooid leven

Tijdens het spreekuur probeer ik onderwerpen die te maken hebben met zorgverzekeringen, vergoedingen en zeker de politiek buiten de deur te houden. Toch ontkom ik er niet altijd aan. Zeker niet als het mensen raakt, in de buidel of emotioneel. Het debat rondom levensbeëindiging bij een voltooid leven ontging Kees niet en daarmee mij ook niet.

‘Ik vind er niks meer aan,’ zegt Kees. Er moet van alles gebeuren waar hij tegen op ziet. Zijn versleten heup moet vervangen en er staan afspraken bij de kaakchirurg om zijn rammelende gebit te vervangen. Verder is een goede vriendin onlangs overleden en zijn beste vriend heeft kanker met uitzaaïngen. Begripvol knik ik en laat hem vertellen. Over de glucosewaardes hoeven we het niet te hebben, die zijn wel goed sinds hij de alcohol heeft laten staan.  ‘Maar waar ze het over hebben in Den Haag, dat hoeft nou ook weer niet. Ik wil niet dood,’ vervolgt hij alsof hij zijn uitspraak moet verklaren. Alsof hij bang is dat ik mijn hulp zal aanbieden. Daar hoeft hij niet bang voor te zijn, ik ken Kees langer dan vandaag. Hij heeft zijn alcoholverslaving overwonnen, pakt zijn gezondheidsproblemen op en heeft gekozen voor het leven. Hij heeft een fijne relatie met zijn zussen en heeft een uitgebreide vriendenkring. Bovendien is hij nog niet eens zo oud, begin zestig. Maar hij zet me wel aan het denken. Hoe vaak horen we het niet zeggen?

Zeker door oudere patiënten die een partner hebben verloren, vrienden verliezen, een klein netwerk hebben en zichzelf niet meer kunnen vermaken. We zien ze voor hun chronische aandoening waaraan ze niet direct zullen overlijden. Sterker nog, we doen ons best om complicaties en daarmee hun overlijden te voorkomen. Ik heb nog wel eens een gesprek over de zin en onzin van een cholesterolverlager, maar vraag nooit of ze überhaupt nog willen leven.

Natuurlijk bied ik een luisterend oor, maar verwijs snel door naar de huisarts. Gesprekken over wel of niet reanimeren, wel of niet behandelen, euthanasie en straks misschien de optie levensbeëindiging bij een voltooid leven horen niet thuis op mijn spreekuur. Of wel?

Het nieuws en de discussies over levensbeëindiging bij een voltooid leven hebben Kees aan het denken gezet over wat hij wel en niet zou willen.  We hadden een mooi – onvoltooid – gesprek over leven en dood, dat hij verder kan voeren met zijn familie en zijn huisarts. Dat had hij nog niet eerder gedaan.

20170122_163323-collageIs dat een rol die wij kunnen spelen?  Niet afwachten tot iemand zegt niet meer te willen leven? Bespreekbaar maken? Mensen aan het denken zetten? Net zoals we doen met seksuele problemen en psychische klachten, die wij verder ook niet vervolgen? In de ouderenzorg vragen collega’s soms naar hoe de patiënt het levenseinde ziet en maken een afspraak met de huisarts als er specifieke wensen zijn zoals niet reanimeren, een wils- of euthanasieverklaring. Komt daar straks ook de vraag bij wanneer de patiënt het leven voltooid vind?

 

Deze column verscheen in ‘de POH ‘ december 2016, een uitgave van de NVvPO onder de titel ‘Voltooid leven’.

Sinds mei 2016 maak ik deel uit van de redactieraad van ‘de POH ‘.

Te jong voor insuline

15 nov

insulinePsychologische insulineresistentie

Insuline spuiten kan iedereen leren, zeker met alle mooie pennen en naalden die op de markt zijn. Voor Mirjam zou het ook geen probleem moeten zijn, wat houdt haar tegen?

‘Hij wil me niet meer zien’, zegt Mirjam. ‘Kan niks meer voor me doen, ik ben te eigenwijs’, vervolgt ze. Het klinkt als een huwelijkscrisis. Dat is het niet. ‘Je zult het nog wel merken, heel eigenwijs’, benadrukt ze nog eens, bijna dreigend. Na een jaar of vijf een relatie te hebben gehad met haar internist is het over. Elke drie maanden contact, controles en gesprekken hebben niet geleid tot een goed HbA1c. Mirjam wil echt niet aan de insuline. De internist zocht contact met de huisarts of de huisartsenpraktijk de controles weer kon overnemen. Hiermee begint onze relatie. Met een HbA1c van 89.

Ze heeft wel veel pech. Ondanks haar leefstijl – die misschien wel iets beter kan maar echt niet heel afwijkend is – heeft ze rond haar veertigste twee stents gekregen en DM2 ontwikkeld. Nu is ze vijftig en leeft ze al tien jaar langer dan haar vader en enkele van zijn broers en zussen. Van moeders kant kent ze de gevolgen van DM2. Oma is jong overleden na een beenamputatie, moeder ziet niet veel meer en kan zelf de insuline niet meer spuiten. Mirjam verzucht dat ze blij mag zijn dat ze leeft.

Ik ben het wel met haar eens en laat haar dat weten. In de loop van het gesprek blijkt dat ze de medicatie regelmatig vergeet, met de personal coach meer praat dan sport, behalve vandaag altijd op hakken loopt wat goed te zien is aan haar voeten. ‘Ik moet maar aan de insuline. Als het niet anders kan. Dat is de enige optie toch?’, stelt ze.

Ik vraag verbaasd waarom ze dat nu wel wil. Dit had ik niet verwacht. Mirjam barst los. Ze werkt steeds meer uren per week, krijgt overgangsklachten, slaapt slecht, zweet veel. Haar leven moet anders. Ze voelt zich gewoon niet lekker. ‘En misschien moet ik ook niet meer naar mijn moeder luisteren. Die zegt dat ik te jong ben voor insuline! Zij begon pas op haar vijfenzestigste. Het is mijn leven’, zegt ze met toenemend stemgeluid. Ze klinkt als een opstandige puber. Nog even en ze gaat stampvoeten. We spreken af elkaar de komende weken regelmatig te zien. Eerst maar eens curves bijhouden, medicatie altijd innemen, minder overwerken, meer sporten en niet overleggen met haar moeder.

Hoe het Mirjam zal vergaan is de vraag – of een avontuur, dat ik graag met haar aanga. Helaas bestaat er voor psychologische insulineresistentie geen protocol, en geen eenduidige of eenvoudige aanpak. Voor veel diabeten is de stap naar insuline groot, om verschillende redenen die meestal psychologisch van aard zijn. Mirjam is daarop geen uitzondering.

20160930_171651

Deze column verscheen in september 2016 in het blad De POH, een uitgave van de NVvPO, een belangenorganisatie voor praktijkondersteuners in de huisartsenpraktijk. 

What a girl needs!

16 jun

20150425_112103-1Vrouwen krijgen niet de zorg die ze nodig hebben. Een probleem dat aangepakt moet worden en de aandacht heeft van zorgverleners. Ik voelde me serieus genomen.

Hartklachten worden aangezien voor overgangsklachten, medicijnen en behandeling zijn vooral getest op mannen. Vrouwen leven langer, maar zijn vaker en langer ziek. Het is geen nieuwe informatie, veel zorgverleners houden hier wél rekening mee. Ik was blij dat de huisarts mijn klachten van duizeligheid met hartkloppingen serieuzer nam dan ik. Ze verwees me door naar de cardiologie voor een 24-uurs hartfilmpje.

Na het weekend kwam ik voor de uitslag bij de cardioloog. Leuke vent, iets jonger dan ik.Uitgebreid legde hij uit dat de hartslag weliswaar wel eens traag ging, maar niet te traag. Nadat ik vertelde dat ik in de zorg werk, werd hij enthousiaster. Hij wees de (niet ernstige) onregelmatigheden aan en vertelde over een meetapparaatje dat onder de huid geplaatst kan worden om een hartfilmpje gedurende een langere periode te maken. ‘Als het nou toch aanblijft, is dat misschien een optie.’, zei hij. Ik voelde me serieus genomen, gerustgesteld en vroeg nog even naar de bloeduitslagen.

Schildklier: goed. Suiker: goed. Cholesterol: goed. Goed? De waardes van de verschillende cholesterolwaardes vielen me vies tegen, die had ik veel lager verwacht. ‘Tsjonge!’, verzuchtte ik. ‘Ik eet redelijk gezond en sport me te pletter. Dat kan toch niet?’

‘Ze zijn goed hoor’, hoor ik hem zeggen. ‘U bent ook gewoon slank.’

Dat hoor ik hem de hele dag nog zeggen. Hoor ik hem nu nog zeggen.

Maar bovenal blijft het gevoel hangen dat zowel de huisarts als hij mijn klachten serieus namen, misschien serieuzer dan dat ik ze nam.

Deze dokters snappen wat vrouwen nodig hebben 😉

Voor de echte belangstellenden

Gelukkig is er in de gezondheidszorg toenemend aandacht voor de zorg voor vrouwen. Een voorbeeld is het onderzoek naar hart- en vaat ziekten bij vrouwen: Hart voor vrouwen. Weet je er meer? Deel het!

Welkom bij de sandwichgeneratie

10 feb

20150210_110513-1Ik houd van ze, van mijn kinderen, van mijn ouders. Niets liever wil ik dan dat het ze aan niets ontbreekt, dat ze gezond zijn en zich gelukkig voelen. Ik draag daar met alle liefde aan bij.

Het wordt me soms te veel. Het toppunt bereikte ik onlangs toen ik tijdens een loopje niet meer verder kon. De kilometers waren het probleem niet. Mijn hoofd kon niet meer, de tranen liepen over mijn wangen. Ik was op en zo verdrietig. De laatste drie van de tien kilometer wandelde ik al huilend naar huis.

Kortsluiting

Een druk leven met man, vier kinderen, familie, vrienden, werk, vrijwilligersklussen, onderhoud van huis en tuin is goed te doen zolang alles op rolletjes verloopt en te plannen is. Wel druk. Natuurlijk! Heerlijk!

De laatste acht maanden waren drukker dan normaal. Onze pubers en jongvolwassenen maakten, met onze steun, keuzes voor studie en wonen die hun verdere leven kunnen bepalen. Mijn vader werd ziek en had de pech een stevig behandelingstraject in te moeten gaan met bestralingen en is nog niet klaar. (Over)bezorgd bezoek ik hem – misschien wel tot zijn ergernis- vaker dan anders en zijn we regelmatig samen op pad richting ziekenhuis. Nu ook mijn moeder- ze leven niet samen- , even uit de running is vanwege een nieuw onderdeel en af en toe ergens heengebracht moet worden en haar koelkast gevuld moet worden, zijn vrije dagen goed gevuld.

Voeg daaraan toe de nodige verwachtingen op werk en sociaal gebied. Plus de eigen verwachtingen ten aanzien van moederschap, huis, studie, vrijwilligerswerk en hobby’s. Dan raken de dagen zo goed gevuld dat het hoofd de kans niet krijgt leeg te worden, met als gevolg kortsluiting.

Sandwichgeneratie

Langzaam drong het tot me door, de afgelopen maanden ben ik onderdeel van de sandwichgeneratie. Een woord dat ooit wel eens hoorde, maar bijna vergeten was. Misschien wel terecht, het woord is (nog?) niet doorgedrongen tot het Van Dale woordenboek. Wikipedia heeft er zelfs geen omschrijving voor. Internet biedt wel uitkomst: ‘ generatie van mensen tussen de 40 en de 60 jaar, die ingeklemd zitten tussen opgroeiende kinderen en ouders die gaan kwakkelen; generatie van veertigplussers tot zestigplussers die de zorg hebben voor zowel kinderen als ouders.’ (bron: www.anw.inl.nl)

Dat ben ik!

Tussen de 40 en 60 jaar, ik heb opgroeiende kinderen, kwakkelende (sorry papa en mama;-) ouders en zorg voor kinderen en ouders. Ingeklemd? Zo voel ik me gelukkig niet altijd.

Ik heb wel makkelijk praten, dat realiseer ik me ook. Ik heb een lieve man, vrij zelfstandige kinderen en mijn ouders kunnen met al het ge’kwakkel’ hun eigen leven prima regelen en zijn zelfredzaam. Voor andere ‘sandwichers’ is het lastiger. Zo ken ik Marit, die tijdens de ziekenhuisopname van haar vader bij haar moeder thuis moest logeren terwijl de jongste nog maar tien is. Rianne en Ed, die elke nacht gebeld worden door zijn moeder, die alleen woont en echt niet naar een verpleeghuis wil. ’s Ochtends verzorgen ze weer hun kinderen en gaan beiden weer naar hun werk. Denise, die haar kinderen van negen en elf elke dag laat overblijven om haar vader in het verpleeghuis te bezoeken en eten te geven.

Steun

Ik heb makkelijk praten. Ik heb steun aan mijn man, kinderen, een broer, een zus én mijn eigen ouders die ook wel eens op mijn rem trappen. Steun aan mijn vrienden, die accepteren dat er nu minder tijd voor ze is. Steun aan mijn collega’s en werkgevers, die luisteren en begrip tonen voor de vrije uurtjes. Steun aan het kerkelijke netwerk van mijn vader; belangstellende, luisterende en praktische steun! Steun aan vrienden en vriendinnen van mijn moeder. De enige steun die ontbreekt, is de steun aan mezelf.

Ik houd van ze, van mijn kinderen, van mijn ouders. Niets liever wil ik dan dat het ze aan niets ontbreekt, dat ze gezond zijn en zich gelukkig voelen. Ik draag daar met alle liefde aan bij en loop in dezelfde valkuil, waar ik Marit, Rianne, Ed en Denise voor waarschuw. Ik ga aan mezelf voorbij.

Overlevingstactieken

Zonder spijt maak ik keuzes, zodat er tijd is voor onze kinderen en ouders. Lief en ik gaan minder vaak samen weg, vrienden zien me minder vaak, stel vrijwilligerswerk uit, mis trainingen, het huis is nog minder schoon dan normaal, schrijf nog wel want dat is noodzaak maar schilder minder en maakte zelfs de keuze om voorlopig een dag minder te werken.

Met moeite maak ik die zelfde keuzes om tijd te maken voor mezelf, om dat rondje te lopen, op de bank te hangen en gewoon aan niks te denken. Maar het moet!

Want ik wil ‘sandwichen’! Zonder ingeklemd te raken. Ik houd van ze, van mijn kinderen, van mijn ouders. Niets liever wil ik dan dat het ze aan niets ontbreekt, dat ze gezond zijn en zich gelukkig voelen. Ik draag daar met alle liefde aan bij. En met alle plezier, want dat levert het samenzijn met deze mensen ook op.

Hoe doe jij dat?

Bier en pannekoeken

5 nov

20141105_154424Zonder me aan te kijken geeft ze een hand. Haar zoon pakt mijn hand stevig vast en stelt zich voor. We gaan zitten en ik stel me voor. Het is de eerste keer dat we elkaar zien. Diabetesspreekuur. Ze komt voor de suikercontrole, dat begrijpt ze wel. Op mijn vraag of ze nederlands kan verstaan krijg ik een wijfelend antwoord. ‘Een klein beetje.’, zegt ze. ‘En spreekt u nederlands?’, vraag ik. Ze gromt wat onduidelijks en kijkt me nog steeds niet aan.

‘We proberen het gewoon en als het niet lukt vragen we uw zoon te helpen.’, zeg ik. Haar zoon vertaalt. Zichtbaar opgelucht dat ze niet alles hoeft te begrijpen, kijkt ze me aan. We kunnen aan de slag. De bloeddruk. Het gewicht. De voetcontrole levert een gesprekje op over feestelijke henna-versieringen. Vervolgens stel ik ook wat vragen over de leefstijl. De beweging. De voeding. Rookgedrag. Alchoholgebruik. Griepprik. Sommige antwoorden denk ik al te weten, maar ik vraag het toch.

De antwoorden zijn kort en ook als haar zoon de vragen stelt, krijgt hij weinig los. Hij schuift wat op zijn stoel, hij praat steeds harder tegen zijn moeder. ‘Ze zegt niet veel, hoor.’, moppert hij. Hij wijst naar zijn moeder. ‘Ik weet zeker dat ze elke dag bier drinkt. En eten? De hele dag pannekoeken, werkelijk waar! Moet je zien hoe dik ze is!’

‘Wat?’ wordt gevolgd door een lange tirade in een taal die ik niet begrijp. Ze slaat haar zoon op zijn bovenbeen, kijkt me aan, lacht en vertelt me in één lange adem over haar dagelijkse bezigheden. Ze wandelt, eet boterhammen, kookt groente, drinkt water. Een voorbeeldige leefstijl.

En spreekt nog aardig nederlands ook! Volgende keer komt ze vast alleen.

Gekreukeld

15 okt

20141015_180412

Scherpe vouwen in

Gekreukeld papier

Dat is zijn huid

Zijn leven

Zijn pijn

Zijn lot

 

 

20141015_180428

Vouw het uit, druk het plat

Strijk het glad

Herschrijf

Zijn leven

Haar leven

Hun lot

 

 

20141015_180358

Wordt niet wat het was

Wordt niet beter

Zijn pijn haar pijn

Verbonden

Leven nu

Hun leven
 

Warme ontmoeting

25 jul

tramZe trekt haar vestje dichter om haar heen, het is te koud. ‘Ik kan er maar niet aan wennen!’, moppert ze om vervolgens alle goede kanten van ons kikkerlandje te belichten. Alles is goed georganiseerd, ze woont in een mooi appartement en de zorg vindt ze geweldig. ‘Maar koud is het, zo koud!’

Vier jaar geleden zwichtte ze. Ze zag ook wel dat ze ouder werd, het lichaam wordt brozer en af en toe vergeet ze ook dingen. Haar kinderen die in Nederland studeerden en hier een bestaan hadden opgebouwd haalden haar uit Suriname. ‘Mama, kom. We zorgen voor je.’, zeiden ze. ‘Kind, natuurlijk ging ik. Ik mis mijn land, maar ik hoor bij mijn kinderen.’, zegt ze. ‘Als….als…..dan willen ze me hier begraven.’ Ze schudt haar hoofd.

Ik ben stil. Mijn gedachten gaan uit naar opa’s, oma’s en schoonvader. Zij liggen vlakbij begraven, prettig vlakbij. Binnenkort ga ik weer langs. Ik snap haar kinderen wel.

‘Maar ik ga nog niet, hoor!’, zegt ze ineens luid. ‘Ze moeten eerst hun weg vinden.’

Ze kijkt naar mijn gezicht, ziet mijn vraag. ‘Naar de Heer, bedoel ik.’, verduidelijkt ze.

Ze vertelt over haar dochters, haar zoon, haar kleinkinderen. Trots. Liefdevol. Met zorg. Ondanks de kou hier, is ze in een warm nest geland. Ze pakt even mijn arm vast. ‘Onze Heer zal ze toch niet laten branden in de hel?’

‘Nee, dat kan ik me niet voorstellen.’, antwoord ik vol overtuiging. Deze lieve zorgzame mensen zorgen voor een stukje hemel op aarde. Engelen horen in de hemel.

‘Dat is mijn tram! Dag lieverd.’, zegt ze en knijpt me stevig in mijn bovenarm. Staand in de tram trekt ze haar vestje uit en zwaait. De kou is verdwenen.

Komt u voor mijn man?

11 jun

Tegenover me zit een aantrekkelijke man. Ik kan me voorstellen dat hij, pak ‘m beet zestig jaar geleden, de vrouwen van zich af moest slaan. Toen kwam hij ook wel ergens, de marine bracht hem overal. Zal hij liefjes hebben gehad, in Moskou, in Afrika en in Indonesië? Hij zegt van niet. Tegenover hem zit ik, en ook zijn vrouw met wie hij al zestig jaar getrouwd is.

De verhalen zijn geweldig. Niets wil ik liever dan met een bontmuts op paraderen in Moskou onder het genot van wodka, met blote voeten dwalen door de rijstvelden in Indonesië en bananen plukken in Afrika. Behalve al dat moois zijn hem minder mooie zaken ook opgevallen. Wat de armoede doet met mensen en met een land raken hem na al die tijd nog.

‘En dat is nog steeds zo.’, zegt hij. ‘Zo arm, dat is toch niet nodig. We hebben het maar goed hier.’ Hij verzit, een verzuurde urinelucht doet mijn neusgaten samenknijpen. Voordat hij het op kan merken vraag ik of ik zijn bloeddruk mag meten. Van een romantisch verleden belanden we weer in het heden.

Gewogen wil hij ook wel worden, zelf wil hij wel weten of hij is aangekomen. Hij is gek op chocola en zijn moeder kookt zo lekker. Nu komt er ook beweging in de stoel aan de andere kant. ‘Dat vest wat hij aan heeft, heb ik voor mijn zoon gebreid. En nu denkt hij dat ik zijn moeder ben.’, zegt zijn vrouw verontschuldigend. ‘Hij is zo in de war.’

Het gewicht valt mee, hij is niet aangekomen. ‘Ik heb het goed, in Indonesië zag je wel eens anders. De ribbetjes bij die kindertjes……ach..ach..’, de verhalen herhalen zich. Ik vind het niet eens zo erg, terwijl hij doorpraat ruim ik mijn spullen op. Zijn vrouw onderbreekt hem. ‘Kees, die mevrouw gaat weg. Zeg eens dag.’ ‘Dag mevrouw’, zegt hij gehoorzaam. ‘Mama zorgt goed voor me hoor.’ Ik bevestig het alleen maar. Het zal voor haar niet meevallen, knap hoe ze dit volhoudt.

koppel-op-bankBij de deur praten zijn vrouw en ik over koetjes en kalfjes. De zon breekt door, de vogelgeluiden kondigen lente aan. ‘Lekker zeg, zo’n bankje in de voortuin. Zitten jullie daar wel eens?’, vraag ik terwijl ik mijn spullen in de fietstas doe. Het blijft stil, ze staart naar het bankje en kijkt dan naar mij.

‘Dag mevrouw, komt u voor mijn man?’

 

 

 

 

Dag doktersassistente?

6 mrt

Uitgerekend op de dag van de doktersassistent zit ik in de schoolbanken om een toets te maken voor de opleiding praktijkondersteuner.  Dat ga ik worden, namelijk. Ik ben klaar om het vak doktersassistent achter me te laten, toch?

Hoe vaak heb ik overwogen een ander vak te kiezen?! Meer dan twintig jaar geleden al, toen ik alleen op vakantie kon gaan tijdens de vakantie van de huisarts, tussen de telefoontjes door een spreekuur moest houden én mijn broodje moest eten, elke week de vloer in de was moest zetten, regelmatig de politie moest bellen om een dakloze uit de wachtkamer te verwijderen en nooit eens een dagje vrij kon nemen.  Voor een hongerloontje, in de verpleging verdiende ik meer.

Een plek verworven

cao

Met de komst van een CAO is er veel verbeterd: er zijn afspraken over vakanties en vrije dagen, er is een taakomschrijving, een pensioen en een salaristabel. Financieel gezien vind ik dat de doktersassistent nog steeds ondergewaardeerd wordt, maar doktersassistent is wel een echt beroep geworden met een eigen beroepsvereniging. Huisartspraktijken kunnen niet meer zonder en ook in ziekenhuizen en bij arbo-diensten heeft de doktersassistent een plek verworven.

 

Niet voor watjes

doktersassistenteDoktersassistent is geen beroep voor watjes. Mensen die ziek of gespannen of allebei zijn, reageren niet altijd even vriendelijk. Dat is begrijpelijk, de doktersassistent kan wel tegen een stootje en soms is dat oké. Minder leuk is een telefonische dreiging je wel over de balie te komen trekken als je de afspraak niet maakt. En ook fysiek geweld komt voor, ik heb nog een litteken op mijn voorhoofd waar ooit een kopje tegen aan werd gegooid. Behalve de nodige medische kennis bezitten, telefonisch spoed van minder spoed kunnen onderscheiden en administratieve talenten in huis hebben, moet de doktersassistent ook leren omgaan met spanningen, met dreigingen, met agressie. Reden genoeg om een ander vak te kiezen!

medIk word praktijkondersteuner, zeker. De oneindige stroom van receptherhalingen, patiëntenbrieven, urineonderzoeken en het continue gerinkel van de telefoon ben ik soms zo zat. Time for change.

Snelle actie

En toch…..het is heerlijk als mensen blij zijn dat ze niet hoeven te komen omdat jij ze een advies kunt geven.  Als je tijdens een telefoongesprek iemand kunt geruststellen. Als bange kinderen toch hun prik krijgen en huppelend de deur uit gaan. Als iemand is gevallen en je direct hulp kan bieden. Als mensen weer kunnen horen na het oren uitspuiten. Als het gezellig is tijdens het geven van de griepprikken. Als je luisterende oor voldoende is. Als je door je medische kennis en ervaring  eerder weet dan de patiënt dat er snel actie nodig is en dat ook kunt organiseren.

Geweldig beroep

dag van doktersassistenteMet zes collega doktersassistentes en collega praktijkondersteuner werk ik samen in een huisartsenpraktijk, leren samen en van elkaar, willen steeds beter worden in ons werk en delen lief en leed. Ons werk wordt gewaardeerd door onze werkgevers, die dat wel eens laten merken……op de dag van de doktersassistent bijvoorbeeld.

Geweldig vak, doktersassistent!

Nu twijfel ik toch. Twee beroepen….dat kan toch ook?

P.S. Als je even tijd hebt…..kijk dan dit filmpje: De doktersassistent.

Gebakken lucht

26 jan

Een gezond eetpatroon is één van de onderwerpen die in de spreekkamer van de praktijkondersteuner in de huisartsenpraktijk besproken wordt. Als een chronische ziekte, zoals suikerziekte meespeelt, kan een gezond eetpatroon gezondheidsvoordeel opleveren. Eetgewoontes worden van allerlei kanten beïnvloed, niet altijd gunstig

groente‘Nou, ik eet wel drie of vier keer per week groente!’, meldt Kees. Natuurlijk prijs ik hem daarvoor en probeer te achterhalen waarom er die andere drie of vier keer per week geen groente op tafel staat. ‘Dat past niet zo goed bij de patat en frikadellen, we nemen wel eens een tomaatje bij de kaassoufflé.’, is zijn antwoord. ‘Maar…’, zegt hij trots. ‘In de bami van de chinees zit toch ook wat groente? Prei enzo?’

Kees eet de maaltijden vaak op de bank, televisiekijkend met het bord op schoot. Al die programma’s over koken vindt hij wel leuk. Bij die teleshopping-programma’s ziet hij vaak handige dingen; apparaatjes om groente- en fruitshakes te maken en om groente te snijden. Misschien is dat wat, vraagt hij zich hardop af. Als dat Kees helpt, juich ik dat alleen maar toe. Ik zie meer in een advies van een diëtist, waar Kees gelukkig voor te motiveren is.

Tweemaal per week frituren

Na het bezoek van Kees kijk ik anders televisie, blijf hangen bij de teleshopping programma’s. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Heel geconcentreerd kan ik die programma’s niet kijken, dus laat ik de televisie aan staan terwijl ik lees, kook of werk. Een groot scala aan artikelen trekt voorbij, niet allemaal even interessant. Snijden doe ik gewoon met een mes en voor sporten wil ik geen apparaten in huis. ‘….minder vet. Hier ziet u wat een gezin met vier personen bespaart op frituurolie als zij slechts tweemaal per week frituren…..’ Ik kijk op en zie een rijen flessen frituurolie voorbijgaan, de gesproken tekst dringt langzaam door: ‘….slechts tweemaal per week frituren….’

Rekensommetje

gebakken lucht2Slechts tweemaal per week! Hier kijkt Kees ook naar, logisch dat hij drie of vier maal per week patat normaal vindt. Dit product schaft hij misschien ook wel aan, de dry-fryer. Ik ben nieuwsgierig. Dit apparaat bakt of frituurt patat, aardappelen, vlees en allerlei frituurhapjes met lucht. Een soort oven of magnetron, lijkt me. Een klein zoektochtje op internet leert me dat frituren in dit wonderlijke apparaat per maaltijd 80% minder vet oplevert. Mooi, maar  zo’n portie patat levert nog steeds ongeveer 10  gram vet op, zonder mayonaise! Een portie aardappelen met jus levert zo’n 6 gram vet . Reken maar uit! Keer tweemaal per week -minstens-, keer 52 weken…..jarenlang.

Nieuwe norm

Maar ja, dat doet Kees niet als hij deze reclame ziet. Ik normaal gesproken ook niet. En u ook niet. We horen een beter alternatief voor een patatje mayo bij de friettent, prima! Wat we niet horen is de boodschap: minstens twee keer per week frituren! Het lijkt gebakken lucht, maar voor we het weten is het de norm. In elk geval voor Kees.

Dikke bult, eigen schuld? Ik weet het niet. De reclamecampagnes voor voeding en aanverwante producten werken schijnbaar beter dat die voor gezonde voeding vanuit overheid en gezondheidsinstellingen. Het lijkt soms dweilen met de kraan open.

Kees heeft door zijn gezondheidsproblemen de weg naar de diëtist gevonden. Hoe bereiken we al die anderen, werken we aan een nieuwe norm? Voordat het te laat is….

%d bloggers liken dit: