Archief | COLUMNS RSS feed for this section

Hoera voor de boerka!

1 aug
Gerelateerde afbeelding

Hoera voor de boerka! Laten we die allemaal eens aantrekken, en dan niet met een gazen doek voor de ogen. Gewoon, helemaal dicht zodat we eens naar onszelf kunnen kijken.

Eerlijk is eerlijk. Een boerka, en ook een nikab, lijkt mij persoonlijk helemaal niks. Ik houd van de frisse lucht die langs mijn huid strijkt. Zodra de temperaturen hoger worden, leg ik nog meer huid bloot. Heerlijk. Mijn verbazing over de huidbedekking is de reden waarom ik mensen in een nikab of een boerka – als ik ze al tegenkom – nakijk. In onze wijk zie ik slechts een enkele keer iemand in een boerka. In de krant is geen vermelding van duidelijke cijfers over hoeveel vrouwen nikabs of boerka’s dragen, maar maximaal een paar honderd op zo’n 16 miljoen inwoners lijkt mij heel weinig. Tijdens een reis van Zuidelijk Afrika naar Nederland, die ik onlangs maakte, kwam ik wel een aantal vrouwen in nikab tegen op de vliegvelden. Ze leken zich vrij te bewegen, praatten druk met medereizigers en douanebeambten, hielden hun eigen paspoorten in de hand en speelden met hun kinderen. Nu vind ik het jammer als ik mensen niet in de ogen kan kijken en geen gezichtsuitdrukking kan zien, maar in de bewegingen van deze vrouwen herkende ik mezelf. Bovendien zijn er wel meer dingen die we niet zien, waarvan we wel weten dat ze er zijn.

Sterren bijvoorbeeld. In ons land is het zo licht, dat we hier minder sterren zien dan in minder dichtbevolkte gebieden. In de krant lees ik dat vanuit de ruimte Europa, en daarbinnen weer Nederland, opvalt als een helverlichte vlek. Aanleiding voor het artikel is het besluit om een aantal snelwegen opnieuw ’s nachts te verlichten. In het artikel voor- en tegengeluiden, maar feit is dat onze zichtbaarheid ons eigen zicht beperkt.

We wanen ons veilig onder onze boerka van licht en vertrouwen niet meer op de sterren, die van oudsher de weg wijzen. We vertrouwen niet meer op de natuur, niet op mensen. En hebben we vertrouwen in onszelf?

Laten we een boerka aantrekken. Zonder kijkgaas en zo donker mogelijk. Dan zien we vast helderder en kunnen we ons druk maken om belangrijke dingen. De lichtvervuiling bijvoorbeeld.

Advertenties

Ik vind er niks meer aan

22 jan

Over voltooid leven

Tijdens het spreekuur probeer ik onderwerpen die te maken hebben met zorgverzekeringen, vergoedingen en zeker de politiek buiten de deur te houden. Toch ontkom ik er niet altijd aan. Zeker niet als het mensen raakt, in de buidel of emotioneel. Het debat rondom levensbeëindiging bij een voltooid leven ontging Kees niet en daarmee mij ook niet.

‘Ik vind er niks meer aan,’ zegt Kees. Er moet van alles gebeuren waar hij tegen op ziet. Zijn versleten heup moet vervangen en er staan afspraken bij de kaakchirurg om zijn rammelende gebit te vervangen. Verder is een goede vriendin onlangs overleden en zijn beste vriend heeft kanker met uitzaaïngen. Begripvol knik ik en laat hem vertellen. Over de glucosewaardes hoeven we het niet te hebben, die zijn wel goed sinds hij de alcohol heeft laten staan.  ‘Maar waar ze het over hebben in Den Haag, dat hoeft nou ook weer niet. Ik wil niet dood,’ vervolgt hij alsof hij zijn uitspraak moet verklaren. Alsof hij bang is dat ik mijn hulp zal aanbieden. Daar hoeft hij niet bang voor te zijn, ik ken Kees langer dan vandaag. Hij heeft zijn alcoholverslaving overwonnen, pakt zijn gezondheidsproblemen op en heeft gekozen voor het leven. Hij heeft een fijne relatie met zijn zussen en heeft een uitgebreide vriendenkring. Bovendien is hij nog niet eens zo oud, begin zestig. Maar hij zet me wel aan het denken. Hoe vaak horen we het niet zeggen?

Zeker door oudere patiënten die een partner hebben verloren, vrienden verliezen, een klein netwerk hebben en zichzelf niet meer kunnen vermaken. We zien ze voor hun chronische aandoening waaraan ze niet direct zullen overlijden. Sterker nog, we doen ons best om complicaties en daarmee hun overlijden te voorkomen. Ik heb nog wel eens een gesprek over de zin en onzin van een cholesterolverlager, maar vraag nooit of ze überhaupt nog willen leven.

Natuurlijk bied ik een luisterend oor, maar verwijs snel door naar de huisarts. Gesprekken over wel of niet reanimeren, wel of niet behandelen, euthanasie en straks misschien de optie levensbeëindiging bij een voltooid leven horen niet thuis op mijn spreekuur. Of wel?

Het nieuws en de discussies over levensbeëindiging bij een voltooid leven hebben Kees aan het denken gezet over wat hij wel en niet zou willen.  We hadden een mooi – onvoltooid – gesprek over leven en dood, dat hij verder kan voeren met zijn familie en zijn huisarts. Dat had hij nog niet eerder gedaan.

20170122_163323-collageIs dat een rol die wij kunnen spelen?  Niet afwachten tot iemand zegt niet meer te willen leven? Bespreekbaar maken? Mensen aan het denken zetten? Net zoals we doen met seksuele problemen en psychische klachten, die wij verder ook niet vervolgen? In de ouderenzorg vragen collega’s soms naar hoe de patiënt het levenseinde ziet en maken een afspraak met de huisarts als er specifieke wensen zijn zoals niet reanimeren, een wils- of euthanasieverklaring. Komt daar straks ook de vraag bij wanneer de patiënt het leven voltooid vind?

 

Deze column verscheen in ‘de POH ‘ december 2016, een uitgave van de NVvPO onder de titel ‘Voltooid leven’.

Sinds mei 2016 maak ik deel uit van de redactieraad van ‘de POH ‘.

Te jong voor insuline

15 nov

insulinePsychologische insulineresistentie

Insuline spuiten kan iedereen leren, zeker met alle mooie pennen en naalden die op de markt zijn. Voor Mirjam zou het ook geen probleem moeten zijn, wat houdt haar tegen?

‘Hij wil me niet meer zien’, zegt Mirjam. ‘Kan niks meer voor me doen, ik ben te eigenwijs’, vervolgt ze. Het klinkt als een huwelijkscrisis. Dat is het niet. ‘Je zult het nog wel merken, heel eigenwijs’, benadrukt ze nog eens, bijna dreigend. Na een jaar of vijf een relatie te hebben gehad met haar internist is het over. Elke drie maanden contact, controles en gesprekken hebben niet geleid tot een goed HbA1c. Mirjam wil echt niet aan de insuline. De internist zocht contact met de huisarts of de huisartsenpraktijk de controles weer kon overnemen. Hiermee begint onze relatie. Met een HbA1c van 89.

Ze heeft wel veel pech. Ondanks haar leefstijl – die misschien wel iets beter kan maar echt niet heel afwijkend is – heeft ze rond haar veertigste twee stents gekregen en DM2 ontwikkeld. Nu is ze vijftig en leeft ze al tien jaar langer dan haar vader en enkele van zijn broers en zussen. Van moeders kant kent ze de gevolgen van DM2. Oma is jong overleden na een beenamputatie, moeder ziet niet veel meer en kan zelf de insuline niet meer spuiten. Mirjam verzucht dat ze blij mag zijn dat ze leeft.

Ik ben het wel met haar eens en laat haar dat weten. In de loop van het gesprek blijkt dat ze de medicatie regelmatig vergeet, met de personal coach meer praat dan sport, behalve vandaag altijd op hakken loopt wat goed te zien is aan haar voeten. ‘Ik moet maar aan de insuline. Als het niet anders kan. Dat is de enige optie toch?’, stelt ze.

Ik vraag verbaasd waarom ze dat nu wel wil. Dit had ik niet verwacht. Mirjam barst los. Ze werkt steeds meer uren per week, krijgt overgangsklachten, slaapt slecht, zweet veel. Haar leven moet anders. Ze voelt zich gewoon niet lekker. ‘En misschien moet ik ook niet meer naar mijn moeder luisteren. Die zegt dat ik te jong ben voor insuline! Zij begon pas op haar vijfenzestigste. Het is mijn leven’, zegt ze met toenemend stemgeluid. Ze klinkt als een opstandige puber. Nog even en ze gaat stampvoeten. We spreken af elkaar de komende weken regelmatig te zien. Eerst maar eens curves bijhouden, medicatie altijd innemen, minder overwerken, meer sporten en niet overleggen met haar moeder.

Hoe het Mirjam zal vergaan is de vraag – of een avontuur, dat ik graag met haar aanga. Helaas bestaat er voor psychologische insulineresistentie geen protocol, en geen eenduidige of eenvoudige aanpak. Voor veel diabeten is de stap naar insuline groot, om verschillende redenen die meestal psychologisch van aard zijn. Mirjam is daarop geen uitzondering.

20160930_171651

Deze column verscheen in september 2016 in het blad De POH, een uitgave van de NVvPO, een belangenorganisatie voor praktijkondersteuners in de huisartsenpraktijk. 

Een vrije zondag

3 mei

vrijheidZondag, een luie dag. Uitslapen. Beetje tuinieren. Boek lezen. Het is drie mei, het weekend is de opmaat voor herdenken op vier mei en vrijheid vieren op de vijfde. In elk geval op televisie. Hangend op de bank met mijn pubers kijk ik mee naar verschillende documentaires.

Ze zijn onder de indruk. Eén van de mooie tanks, de vliegtuigen en de uniformen. Allemaal van de jongen, die zonder familie terug kwam uit een concentratiekamp. Van de kinderen die bijna de pannen inkruipen om nog wat eten te vinden, van de kou, van de dunne lijven en holle ogen achter het prikkeldraad. Ik zie dat het sporen bij ze achterlaat, dit vergeten ze niet.

Als puber was ik net zo onder de indruk van dit soort documentaires. Boeken over de oorlog las ik meerdere malen. Het meest onder de indruk was ik van de geschiedenis van oma, die ik op veertien- of vijftienjarige leeftijd interviewde over de oorlog. Uit haar kast kwamen de bonnen, uit haar mond de verhalen. Opa, toen al overleden sprak nooit over het werkkamp. De zuinigheid van oma kon ik toen wel begrijpen – ze breide mutsjes van oude panty’s!

Vandaag kijk ik met mijn eigen kinderen naar gezinnen die hun eigen kozijnen opstoken voor warmte, zie ik hoe een moeder van bloembollen een stamppotje maakt en van suikerbieten pannenkoeken bakt. Oma, kon ik je nog maar eens interviewen nu ik ook moeder ben. Mijn ooms, tantes en mijn vader waren toen kleine kinderen, dat realiseerde ik me als puber niet. Schraapten zij ook de pannen leeg? Wat zul je verdrietig en machteloos zijn geweest.

Ik kijk naar mijn kinderen op de bank. Met andere ogen en een ander gevoel. Je kinderen veilig en vrij groot kunnen brengen is niet vanzelfsprekend. ‘Zal ik een lekkere pannenkoek voor jullie bakken?’

Wat een mooie dag! Zondag. Een dag in vrijheid.

Vermist

12 apr
vermistOh, daar heb je er weer één. Een gevonden hond, verloren poes, achtergelaten knuffel, gestolen fiets brommer of auto, vermiste mensen, zowel volwassenen als kinderen. Er komen zoveel van dit soort berichten voorbij met het verzoek ze te delen op twitter, facebook of ander netwerk, dat ik wegklik. Niet alles hoeft gedeeld! Wat moet je met die informatie, de kans dat je een bijdrage kunt leveren is nihil. Al blijf ik wel langer kijken naar vermiste kinderen.

Sterker nog, ik heb overwogen mijn eigen kind op die manier te zoeken. Van de week kom ik op tijd thuis na een congres om onze jongste, een bink van 14 te helpen met zijn stageverslag. Op zijn verzoek, laat dat duidelijk zijn. Sporen van zijn aanwezigheid zijn er. Zijn tas ligt open in de deuropening, een brief ter ondertekening (bevestiging dat hij ziek was)en koekverpakkingen liggen op tafel. Ik roep. Roep nog een keer. Harder. Loop naar boven: lege kamer. Check de schuur: geen fiets! Ik kook! En bedenk me wat ik had kunnen doen; gezellig napraten en borrelen met collega’s of winkelen.

Dit is de vierde puber in de reeks, enig geduld heb ik wel gekweekt. Met een kop thee en de krant installeer ik me in de tuin en ontspan. Ik kook eten. Ik eet vroeg omdat ik straks wil sporten, de jongste en zijn oudere broer kunnen het straks opwarmen. Om zes uur schuift nummer drie naast me op de bank. Hij eet, we kletsen, we zappen, het wordt kwart over zes, half zeven, kwart voor zeven. Mijn opzij gezette irritatie door de afwezigheid van onze jongste komt in volle kracht terug en begint langzaam om te slaan in bezorgdheid. Zijn mobiel is stuk, ik kan hem niet appen.

Nummer drie kauwt stevig door terwijl ik tegen hem aan zeur: ‘Moet ik bezorgd worden? Met wie zal hij zijn? Moet ik straks boos worden? Huilen? Straf geven?’ Ik open mijn laptop en zoek op zijn Facebookpagina naar zijn vrienden. Wanneer zal ik berichtjes gaan sturen? Lief, zijn vader komt laat thuis maar is wel bereikbaar via de app: ‘Vast naar de manege. Al die vrouwen (paardenmeisjes) leiden maar af!’ Daar heb ik ook niks aan. Het wordt zeven uur. ‘Is hij niet naar trainen?’, vraagt lief via de app. Hij bedoelt het goed, maar ik heb al lang gezien dat zijn sportschoenen hier nog rondslingeren.

Kwart over zeven stapt de jongste binnen. Helemaal happy en ontspannen in tegenstelling tot mijn gespannen lijf, smalle lippen en woede- of bezorgdheid.

Van wat er daarna gebeurde zal ik jullie de details besparen. Er kwam geen fysiek geweld aan te pas, wel stevige taal. De jongste was onder de indruk, ik schaam me nog voor de onredelijkheid en nummer drie merkte op dat ik vergeten was hem te straffen.

Twee dagen geleden zag ik dit gezicht van een 14-jarig meisje ook al. Vermist, staat er boven. Deel, staat er bij. Ze is net zo oud, of jong, als mijn jongste. Twee dagen weg! Ik werd al gek na drie uur, wat verschrikkelijk voor de ouders.

Ik overweeg de deelknop in te drukken, maar google toch nog even op haar naam. Het meisje is al terecht, gelukkig. Ergens lees ik dat de vader iedereen bedankt voor het delen van het vermissingsbericht en het geven van tips. Het meisje zal wel balen, haar naam staat nu overal op Social Media en het bericht wordt waarschijnlijk nog vele malen gedeeld.

Is dat erg? Wat denken jullie?

Welkom bij de sandwichgeneratie

10 feb

20150210_110513-1Ik houd van ze, van mijn kinderen, van mijn ouders. Niets liever wil ik dan dat het ze aan niets ontbreekt, dat ze gezond zijn en zich gelukkig voelen. Ik draag daar met alle liefde aan bij.

Het wordt me soms te veel. Het toppunt bereikte ik onlangs toen ik tijdens een loopje niet meer verder kon. De kilometers waren het probleem niet. Mijn hoofd kon niet meer, de tranen liepen over mijn wangen. Ik was op en zo verdrietig. De laatste drie van de tien kilometer wandelde ik al huilend naar huis.

Kortsluiting

Een druk leven met man, vier kinderen, familie, vrienden, werk, vrijwilligersklussen, onderhoud van huis en tuin is goed te doen zolang alles op rolletjes verloopt en te plannen is. Wel druk. Natuurlijk! Heerlijk!

De laatste acht maanden waren drukker dan normaal. Onze pubers en jongvolwassenen maakten, met onze steun, keuzes voor studie en wonen die hun verdere leven kunnen bepalen. Mijn vader werd ziek en had de pech een stevig behandelingstraject in te moeten gaan met bestralingen en is nog niet klaar. (Over)bezorgd bezoek ik hem – misschien wel tot zijn ergernis- vaker dan anders en zijn we regelmatig samen op pad richting ziekenhuis. Nu ook mijn moeder- ze leven niet samen- , even uit de running is vanwege een nieuw onderdeel en af en toe ergens heengebracht moet worden en haar koelkast gevuld moet worden, zijn vrije dagen goed gevuld.

Voeg daaraan toe de nodige verwachtingen op werk en sociaal gebied. Plus de eigen verwachtingen ten aanzien van moederschap, huis, studie, vrijwilligerswerk en hobby’s. Dan raken de dagen zo goed gevuld dat het hoofd de kans niet krijgt leeg te worden, met als gevolg kortsluiting.

Sandwichgeneratie

Langzaam drong het tot me door, de afgelopen maanden ben ik onderdeel van de sandwichgeneratie. Een woord dat ooit wel eens hoorde, maar bijna vergeten was. Misschien wel terecht, het woord is (nog?) niet doorgedrongen tot het Van Dale woordenboek. Wikipedia heeft er zelfs geen omschrijving voor. Internet biedt wel uitkomst: ‘ generatie van mensen tussen de 40 en de 60 jaar, die ingeklemd zitten tussen opgroeiende kinderen en ouders die gaan kwakkelen; generatie van veertigplussers tot zestigplussers die de zorg hebben voor zowel kinderen als ouders.’ (bron: www.anw.inl.nl)

Dat ben ik!

Tussen de 40 en 60 jaar, ik heb opgroeiende kinderen, kwakkelende (sorry papa en mama;-) ouders en zorg voor kinderen en ouders. Ingeklemd? Zo voel ik me gelukkig niet altijd.

Ik heb wel makkelijk praten, dat realiseer ik me ook. Ik heb een lieve man, vrij zelfstandige kinderen en mijn ouders kunnen met al het ge’kwakkel’ hun eigen leven prima regelen en zijn zelfredzaam. Voor andere ‘sandwichers’ is het lastiger. Zo ken ik Marit, die tijdens de ziekenhuisopname van haar vader bij haar moeder thuis moest logeren terwijl de jongste nog maar tien is. Rianne en Ed, die elke nacht gebeld worden door zijn moeder, die alleen woont en echt niet naar een verpleeghuis wil. ’s Ochtends verzorgen ze weer hun kinderen en gaan beiden weer naar hun werk. Denise, die haar kinderen van negen en elf elke dag laat overblijven om haar vader in het verpleeghuis te bezoeken en eten te geven.

Steun

Ik heb makkelijk praten. Ik heb steun aan mijn man, kinderen, een broer, een zus én mijn eigen ouders die ook wel eens op mijn rem trappen. Steun aan mijn vrienden, die accepteren dat er nu minder tijd voor ze is. Steun aan mijn collega’s en werkgevers, die luisteren en begrip tonen voor de vrije uurtjes. Steun aan het kerkelijke netwerk van mijn vader; belangstellende, luisterende en praktische steun! Steun aan vrienden en vriendinnen van mijn moeder. De enige steun die ontbreekt, is de steun aan mezelf.

Ik houd van ze, van mijn kinderen, van mijn ouders. Niets liever wil ik dan dat het ze aan niets ontbreekt, dat ze gezond zijn en zich gelukkig voelen. Ik draag daar met alle liefde aan bij en loop in dezelfde valkuil, waar ik Marit, Rianne, Ed en Denise voor waarschuw. Ik ga aan mezelf voorbij.

Overlevingstactieken

Zonder spijt maak ik keuzes, zodat er tijd is voor onze kinderen en ouders. Lief en ik gaan minder vaak samen weg, vrienden zien me minder vaak, stel vrijwilligerswerk uit, mis trainingen, het huis is nog minder schoon dan normaal, schrijf nog wel want dat is noodzaak maar schilder minder en maakte zelfs de keuze om voorlopig een dag minder te werken.

Met moeite maak ik die zelfde keuzes om tijd te maken voor mezelf, om dat rondje te lopen, op de bank te hangen en gewoon aan niks te denken. Maar het moet!

Want ik wil ‘sandwichen’! Zonder ingeklemd te raken. Ik houd van ze, van mijn kinderen, van mijn ouders. Niets liever wil ik dan dat het ze aan niets ontbreekt, dat ze gezond zijn en zich gelukkig voelen. Ik draag daar met alle liefde aan bij. En met alle plezier, want dat levert het samenzijn met deze mensen ook op.

Hoe doe jij dat?

Verval

20 jan

‘Potverdomme!’, hoor ik op de achtergrond. De televisie fungeert hier als behang. ‘Ik zit in de overgang. Dé overgang! En dat kan wel vijftien jaar duren.’ Even denk ik dat ik mezelf hoor praten. Nu heb ik geen opvliegers en geen extreme stemmingswisselingen. Wel confrontaties met een aftakelend lijf.

Met mijn mooie donkerbruine kapseltje fietste ik naar huis en hoorde ik haar steeds weer : ‘Extra dekkend maar, dat wordt echt nodig.’

Bij de drogist word ik gewezen op de dagcreme met Q10 – whatever that may be!- voor de ouder wordende huid.

‘Misschien toch een beugel? De kaak gaat slinken en voor je het weet…’, ik hoor de tandarts niet eens meer. Ik heb het al moeilijk genoeg. Mijn kies, die niet nog een keer gevuld kan worden, wordt opgelapt met een kroon.

Op de atletiekbaan: ‘We kunnen niet meer op tegen die twintigers.’ Als ik koekje weg hap: ‘Dat gewicht wordt met de leeftijd toch steeds meer een probleem.’

Het geschreeuw op de televisie stoort me ineens. Uit. Weg met de overgang: daar heb ik (nog) geen last van! Weg met ouder worden: ik ben nog geen vijftig! Weg met de aftakeling:alles werkt!

20150120_112543Voor mijn gemoedsrust doe ik nog even wat nutteloze testjes via facebook. Mijn echte leeftijd is 17 en mijn leven duurt nog voort tot 2070. Dat stelt gerust;-) Het zegt allemaal niks, net als die grijze haren, de rimpels, het tragere tempo en het gewicht.

Verval betekent alleen maar dat je leeft! En ondertussen doe ik gewoon wat aan onderhoud; sporten, smeren, verven, groente eten, niet roken, maar wel drinken!

PROOST! Op het verval!

%d bloggers liken dit: