Opvouwtasje

22 okt

Ze zet de boodschappen op het aanrecht, gesorteerd op waar het straks opgeborgen moet worden. Brood en zoet beleg voor in de la, boter, melk en vleeswaren voor in de koelkast en de koek voor in de trommel.

“Strakjes zijn jullie aan de beurt,” fluistert ze en draait zich om met de lege tas in haar hand. Ze zucht en vouwt de bodem van de tas tegen de bovenrand. Ze vouwt het nog een keer dubbel. Ze houdt het niet stevig genoeg vast en het gladde textiel glijdt weer in de oude vorm. Ze grijpt de tas stevig vast en kneedt het tot een bal.

“Ik vouw je op. Hop, in je kleine binnenzakje moet je,” zegt ze met haar kiezen op elkaar. Het tasje haalt diep adem en blaast zich op.

“Je doet altijd alsof ik niet besta. Ik ben een tas. Geen zakje. Straks verdwijn ik weer in je handtas voor weet ik niet hoelang,” schreeuwt het tasje.

“Hou je kop. Spreek me niet tegen.” Ze knijpt de laatste lucht uit de blauwe bal. Het tasje verzet zich, trekt het koordje strak zodat ze hem niet naar binnen kan vouwen. Ze trekt het met bevende handen weer los en vouwt hem in het binnenzakje. “Pas als ik je nodig heb, dan mag je er uit.”

Nog voordat het zakje in de handtas verdwijnt, kraakt het textiel. Het zakje ademt uit, de vouwen verscherpen zich in een vacuüm. “Weet je wat? Ik doe het niet meer. Nooit meer. Je draagt je boodschappen maar zelf,” bijt het tasje haar toe.

Met een harde ruk trekt ze de rits van de handtas dicht. Met haar handen op haar oren draait ze zich om naar het aanrecht. De boter staat naast het zoete beleg, de vleeswaren liggen daar weer naast, het brood ligt op het fornuis. Ze stampvoet om ze maar niet te hoeven horen.

Advertenties
%d bloggers liken dit: