Warme ontmoeting

25 jul

tramZe trekt haar vestje dichter om haar heen, het is te koud. ‘Ik kan er maar niet aan wennen!’, moppert ze om vervolgens alle goede kanten van ons kikkerlandje te belichten. Alles is goed georganiseerd, ze woont in een mooi appartement en de zorg vindt ze geweldig. ‘Maar koud is het, zo koud!’

Vier jaar geleden zwichtte ze. Ze zag ook wel dat ze ouder werd, het lichaam wordt brozer en af en toe vergeet ze ook dingen. Haar kinderen die in Nederland studeerden en hier een bestaan hadden opgebouwd haalden haar uit Suriname. ‘Mama, kom. We zorgen voor je.’, zeiden ze. ‘Kind, natuurlijk ging ik. Ik mis mijn land, maar ik hoor bij mijn kinderen.’, zegt ze. ‘Als….als…..dan willen ze me hier begraven.’ Ze schudt haar hoofd.

Ik ben stil. Mijn gedachten gaan uit naar opa’s, oma’s en schoonvader. Zij liggen vlakbij begraven, prettig vlakbij. Binnenkort ga ik weer langs. Ik snap haar kinderen wel.

‘Maar ik ga nog niet, hoor!’, zegt ze ineens luid. ‘Ze moeten eerst hun weg vinden.’

Ze kijkt naar mijn gezicht, ziet mijn vraag. ‘Naar de Heer, bedoel ik.’, verduidelijkt ze.

Ze vertelt over haar dochters, haar zoon, haar kleinkinderen. Trots. Liefdevol. Met zorg. Ondanks de kou hier, is ze in een warm nest geland. Ze pakt even mijn arm vast. ‘Onze Heer zal ze toch niet laten branden in de hel?’

‘Nee, dat kan ik me niet voorstellen.’, antwoord ik vol overtuiging. Deze lieve zorgzame mensen zorgen voor een stukje hemel op aarde. Engelen horen in de hemel.

‘Dat is mijn tram! Dag lieverd.’, zegt ze en knijpt me stevig in mijn bovenarm. Staand in de tram trekt ze haar vestje uit en zwaait. De kou is verdwenen.

Advertenties
%d bloggers liken dit: